Van Nuyssenburg achter zijn bureau. Schilderij van Maurice Quentin de Latour, circa 1745. Bron: Museum Calouste Gulbenkian, Lissabon.
Nuyssenburg (Izaäk van) werd geboren te Rotterdam, den 10 Januarij 1738, studeerde te Leyden, en werd in 1763 Predikant bij de Hervormden, te Yzendoorn, bij Tiel, vervolgens te Buren en eindelijk te Geertruidenberg, alwaar hij den 6 Augustus 1775 overleed, nadat hij den 1 Februarij van dat jaar den zilveren eerpenning had behaald met zijn dichtstuk op het Tweede Eeuwgetijde der Leydsche Hoogeschole, als prijsstoffe uitgeschreven door het Genootschap: Kunst wordt door arbeid verkregen [1]. Zijne Nagelatene Gedichten verschenen in 1778 in het licht. Bij zijn leven had hij, behalve een paar gelegenheidspredikatiën, in 1772 uitgegeven: Nederlands Eeuwgetijde, in Klinkdichten, op de voornaamste gebeurtenissen in 1572 en 1672. In een derzelven drukt hij de aandoeningen van Willem I, bij het ontvangen der tijding van den Parijschen moord, in dezer voegen uit:
Wat zie ik! rukt de hel met nieuwe listen aan, Ons in Oranjes borst de vrijheidsmin te smooren? Rampzaalge! staak dien toch; wat ge immer moogt bestaan, Gij zult die heldenziel verschrikken noch bekooren.
Men moge aan Karels hof den Hugenoot verraên; Den vroomen Coligny met Besmes dolk doorbooren: Navarres Koning zelv' in wreede boeiën slaan, Ten bruigom van Valois met zulk een doel verkooren.
Noch Bartels helsche nacht, noch 't ijslijkst bruiloftsfeest, Noch eigen lijfsgevaar, noch vleitaal schudt zijn' geest: Die brave kiest veeleer in 't blikkrend staal te sneeven.
‘Mijn oog.’ dus spreekt de Vorst ‘ziet naar de Godshulp uit; Al sterft dan Coligny, mijn Helper blijft nog leven: Ligt dat uit Gaspars asch' slands trouwe redder spruit' [2]
Het profetische van den laatsten regel is zeer fraai en krachtig; men herinnert zich dadelijk dat frederik henrik de zoon was van Willem I, bij zijne vierde gemalin Louise de Coligny, dochter van den vermoorden Gaspar de Coligny, Admiraal van Frankrijk; maar! - De Parijsche moord viel voor op den 24 Augustus 1572: Willem I was toen nog gehuwd met zijne tweede gemalin, Anna van Saksen, van welke hij zich deed scheiden, en in 1575 huwde met Charlotte van Bourbon; deze in 1582 gestorven zijnde, nam Willem tot zijne vierde gemalin Louise de Coligny, uit welk huwelijk den 29 Januarij 1584 Fredrik Henrik geboren werd. - Aan deze beide tusschenhuwelijken heeft de dichter waarschijnlijk in 1772 zoo min gedacht als Willem I in 1572 aan een vierde huwelijk met de dochter des vermoorden Admiraals.
Zijne straks gemelde nagelaten gedichten zijn allen van ernstigen en stichtelijken inhoud, en drukken de gewone denkbeelden van dergelijke gedichten zeer net en sierlijk uit. Niet onvoegzaam is mogelijk de eerste helft van het stuk, gerigt
Aan Liberius,
IJverigen voorstander der heidensche fabelkunde. Gij hebt gelijk, Libeer! schoon een gefronst gelaat De nutte fabelleer, te onzinnig, pleeg te wraaken Ziet zulk een, die zijn' geest door beter vuur voelt blaaken, Door all' die nevels heen, den schoonsten dageraad.
De ware wijsheid vriend weet dat geheim te peilen, En vormt daaruit, naar eisch, een zedelijk kompas, Waarop de schrandere geest, door 'swaerelds woesten plas, Langs blank en wiel en zand de haven kan bezeilen. 't Gaat vast (en wie erkent die naakte waarheid niet?) Dat, schoon het blind gemeen, van overoude tijden, De ligtgeloovigheid, die klip, niet wist te mijden, Maar zijn geloofskiel vaak daarop te barste stiet.
Het schranderer vernuft der beste redenaren, En al, wie in de school der wijsheid had verkeerd, In deze fabelleer iets hoogers heeft geleerd, En 't deugdgezind gemoed op ware deugd deed staren.
'k Stem met u overeen in 't voorbeeld, dat gij geeft: ‘Minerv' werd uit het brein des donderaars geboren; Het leert hem, die 't geheim der fabel na wil sporen, Dat de Opperwijsheid niet bij 't lage menschdom leeft; Dat God alleen bezit de kern der wetenschappen, Van hem de wijsheid weêr op 't aardrijk nederdaalt, Op dat het menschdom, door dat godlijk licht bestraald, De heirbaan van de deugd grootmoedig op zou stappen; 'k Begrijp met u, wie slechts den reuzenoorlog ziet, En hoe hun euvelmoed in 't einde moest bezwijken, Daar niemand toen de wraak des hemels kon ontwijken, Ontglipt in dit verhaal de ware meening niet: Ik laat mij, op uw spoor, door zulke fabels leeren Geen sterveling zij ooit te onvreden met zijn lot, Maar wende in tegenspoed zijn oogen liefst naar God, En laat de Alwijsheid naar heur reinen wil regeren.’
Houd dan de fabelkunst voor zulk een zedeleer, Die uwen schrandren geest van de aarde om hoog kan trekken, Ik voel, zoo wel als gij, door haar mijn' ijver wekken, Om voort te streven op het pad van deugd en eer -- [3]
Zonderling steekt nogtans de laatste helft van dit gedicht af bij het eerste; het is of men met deze twee streepen in hetzelve de grenslijnen heeft willen trekken tusschen den liberalen dichter en den orthodoxen predikant, die beroepshalve de Bactrisch-Arameïsche mythologie de voorkeur moet geven boven de Egyptisch- Grieksche, en derhalve ratione officii zegt:
De fablen kunnen veel, de Bijbel meerder leeren [4] , hetgeen, als een argumentum ad hominem van alle predikanten, geen verder bewijs behoeft.
NUYSSENBURG. IZAAK V A N . * Rotterdam 10 januari 1783, † Geertruidenberg 6 augustus 1775.
Zoon van Willem van Nuyssenburg, haarsnijder, en Emmerantia de Laer.
Hij huwde voor de eerste keer met op 17 juni 1766 te Amsterdam met Anna Maria de Bruijn († 1768).
Tweede huwelijk met Gerritje van Stuyvenberg op 17 oktober 1769.
Schrijver en dichter
Reeds als student deen van Nuysenburg van zich spreken, doordat hij in geschrifte lucht gaf aan zijn ergernis over de overgang van ds. A. van der Os naar de doopsgezinten (1758). Op latere leeftijd herzag hij evenwel zijn standpunt in dezen.
Strikt orthodox hervomd bleef hij echter: ook de traditionele boetepreek schuwde hij niet. En al kan hij niet intolerant genoemd worden, enig antipapisme was hem geenszins vreemd. Zijn liefde voor het Oranjehuis stak hij nimmer onder stoelen of banken, zoals bijvoorbeeld bleek uit zijn preek naar aanleiding van de doop van prinses Frederica Louise Wilhelmina op 19 december 1770. Behalve preken publiceerde hij gedichten, soms over historische onderwerpen, Mogelijk bewerkte hij tevens het treurspel Peter de Groote van de Fransman C.J. Dorat, een pennevrucht die in 1772 het licht zag. Hij was lid van diverse genootschappen (tot zijn verdriet echter niet van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde) en eveneens van een leesgezelschap in Geertruidenberg. Kort voor zijn dood vertaalde hij enkele godsdienstpedagogische werken van G.F. Seiler uit Erlangen.
Geschreven
[Anon.], Maria's godsvrucht en mengeldichten, Delft 1758 [n.a.]. - Rouwklagt, aan de zalige schimme van (...) Joan van den Honert, Delft 1758.
Samenspraak, tusschen Waarmond, (...), Winstlief (...) en Leergraag (...) over de religie-verandering van ds. Ant. vander Os, Delft 1758.
Lyk-tranen, gestort op het koud gebeente van (...) Anna van Bronswyk-Luneburg, Delft 1759.
Lyk-klacht ter uitvaarte van (...) Joannes van Schelle, leraar en hoogleraar der H. godgeleerdheid op Hollandsch hooge schoole en geliefd euangelydienaar in de Hervormde kerke te Leiden (...), Leiden 1762.
Nederland door vreugde en droefenisse tot God geroepen, (...) in drie leerredenen, Utr. 1771. - Nederlands eeuwgety in klinkdichten, Dordrecht 1772.
Korte beschrijving van Geertruidenberg (...), voorafgegaan door eene plegtige jubelreden ter tweede vereeuwing van de eerstgebeurde verlossing dier stad uit de magt der Spanjaarden, op den laatsten der Oogstmaand MDLXXIII en gevoled van eenige historische bijlagen, Dordrecht 1774. ~ Nagelatene gedichten, Utr. 1778.
Ter tweede eeuwfeeste van Leyden's hoogeschole. In: Verzameling van vaerzen en tractaten, uitgegeeven op het tweede eeuwgetyde der Leydsche hoogeschoole, gevierd binnen Leyden, op den 8sten February des jaars MDCCLXXV, 2e stuk, (z.p. en j.).
Een bijdrage over Ps. 84:12 werd gepubliceerd in Mengetwerk van stichtelijke liederen, Dordrecht 1792 [n.
Vertalingen
G.F. Seiler, Korte geschiednissen van den geopenbaarden godsdienste, 2 din., Utr. 1773-1775.
Dez., De godsdienst der jeugd, in gemeenzame gesprekken (...), Utr. 1776.
Literatuur
Van Doorninck, Vermomde schrijvers, Il, 371.
NedL., XXXVII (1919), 288. - A.K. Vink, Een ‘uitgestorven’ geslacht, dat voortleefde. De familie Van N. (16e-19e eeuw).
In: Sibbe, Il (1942), 265-269. - R.A. Bosch, Het conflict rond A. van der Os, predikant te Zwolle 1748-1755, Kampen 1988, 148.
Dez., Psalmen, 121, 156, 180, 190, 360. - C.B.F. Singeling, Gezellige schrijvers. Aspecten van letterkundige genootschappelijkheid in Nederland, 1750-1800, Amst.- Atlanta 1991, 84-86, 92 vig.
N. Berghuijs, De predikant-dichter I. van N. 1738-1775. In: De drie steden, XM (1991), 235-244.
J.W. Buisman, Tussen vroomheid en Verlichting, Zwolle 1992, 130. - NNBW, X.