Windrecht
Het windrecht was een rechtsfiguur waarmee een persoon of organisatie het recht werd gegeven om wind te vangen en daarmee een molen te laten draaien. Deze rechtsfiguur wordt vaak samen toegepast met het waterrecht, het recht de stroming van een rivier te gebruiken om een molen te laten draaien. Deze rechten behoorden in vroeger tijden tot de regalia, de rechten die meestal in handen waren gelegd van een landheer of -vrouwe, abdij of andere autoriteit. Alleen deze had volgens een lokale wet het recht van windvang wat in de praktijk meebrengt dat alleen deze persoon of organisatie gerechtigd was een molen te laten bouwen en daarmee wind te 'vangen'. Het recht van de wind kon ook wel tegen gunsten en diensten worden beleend. Molenaars konden tegen betaling van een jaarlijks bedrag, of leveringen in natura als zakken graan, het zogenaamde windgeld, dit recht pachten. Veelal werd de molen dan ook doorverpacht; in Nederland verkreeg de molenaar dan een windbrief. Het windrecht was onderdeel van lokale rechtsstelsels en kwam in grote delen van West-Europa voor, maar niet op de Britse eilanden, Noord-Nederland, Noord-Friesland, Dithmarschen en in het grootste deel van Zweden (met uitzondering van Skåne). Ook in de Alpenlanden waren dergelijke feodale rechten zwak vertegenwoordigd.
Nederland
De rechtsfiguur van het windrecht bestond niet overal in Nederland. In de noordelijke provincies (Friesland, Groningen, Drenthe) en enkele Hollandse steden en dorpen (Enkhuizen, Hoorn, Assendelft, Gouda) was het oorspronkelijk iedereen toegestaan een windmolen te bouwen.[bron?] Met het in zwang raken van het leenrecht, waarbij grondeigenaren delen van hun grond, of eigendomsrechten aan anderen uitleenden tegen een vergoeding in geld of natura, moest vaak een overeenkomst met de eigenaar of heer worden gesloten om een molen te kunnen bouwen of te bedrijven.
Sinds de 17e eeuw werd echter belasting geheven op het laten malen van graan op de molen. Dit noemde men de belasting op het gemaal. Deze belasting werd ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog ingevoerd en werd pas in 1855 weer afgeschaft. Op grond van deze belasting werd het aantal korenmolens beperkt; de bouw werd vergunningplichtig. Dat gold echter niet altijd voor andere typen windmolens zoals pelmolens.
Bezit van een windrecht gaf de mogelijkheid regels voor gebruik van de molen op te stellen en daarbij molendwang uit te oefenen. De bewoners van het gebied rond de molen werden in dat geval door de eigenaar van het windrecht verplicht hun goederen op de aangewezen molen te laten bewerken. De molen was daarmee een dwangmolen, ook wel genoemd banmolen. Concurrentie werd hiermee tegengegaan en als monopolist kon men eigen verdiensten vergroten. Uit onderzoek in de archieven van het dorp Vriezenveen is bekend, dat bewoners molens bouwden die door paardenkracht werden bedreven, rosmolens. Zo konden ze zich onttrekken aan de dwang die met het windrecht werd uitgeoefend, zonder de regels te breken.[1]
Een belangrijk gevolg van het windrecht was ook, dat het niemand was toegestaan in de buurt van de molen iets te bouwen of op te richten wat voor windbelemmering zou kunnen zorgen.
Het windrecht zorgde ervoor dat molens herkenbaar moesten zijn en voorzien moesten zijn van een naam. In de Zaanstreek kozen veel molenaars voor de naam van een dier. Door een afbeelding van dit dier op de molen te plaatsen wisten ook analfabeten welke molen bedoeld werd.
Met de komst van de Franse Tijd is het feodale systeem afgeschaft en werd toegestaan om 'vrije molens' op te richten. In 1814 is de molendwang in Nederland onder koning Willem 1 bij koninklijk besluit afgeschaft.[2]
Molenbeschermingszone of molenbiotoop
Tegenwoordig hebben veel gemeenten een molenbeschermingszone vastgelegd in het bestemmingsplan, sinds 1 januari 2024 (invoering Omgevingswet) overgegaan in het omgevingsplan. Ook waerschappen hebben van windwatermolens een beschermingzone vastgelegd in de Keur, tegenwoordig de waterverordening. Deze beschermingszone, ook wel molenbiotoop genoemd, moet ervoor zorgen dat gemeente voldoende windvangen en dat de molen voldoende zichtbaar is.
De beschermingszone is verdeeld in twee zones. Bescherming van de eerste 100 meter rond de molen is extra belangrijk omdat obstakels binnen dit gebied, naast belemmering van de windvang, ook kunnen leiden tot hinderlijke en zelfs schadelijke windturbulenties. Daarom mogen bij een grond bij een grondzeiler in het geheel geen gebouwen of beplanting worden geplaatst en bij een stelling-, belt of berg molen tot bij voorkeur maximaal 75% van de stelling-, belt- of bergmolen. De meeste gemeenten hebben vervolgens een zone van 400 meter opgenomen waarin de hoogte van obstakels wordt bepaald door de formule van De Hollandsche Molen of door de 1:100 regel. Beter zou zijn een beschermingszone van 500 meter.
Om toch bepaalde bouwplannen, e.d. mogelijk te kunnen maken hebben gemeenten een ontheffingsmaatregel opgenomen. Dat kan bijvoorbeeld zijn: advies vragen aan een molen- en winddeskundige of onderzoek te laten doen naar de effecten van een bouwplan op de molenbiotoop. Dit kan bijvoorbeeld goed met een zogenaamd CFD (Computational Fluid Dynamics) onderzoek.
Sinds 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Art. 5.130 van het bijbehorende Besluit Kwaliteit Leefomgeving zijn gemeenten verplicht in het Omgevingsplan maatregelen te nemen ter bescherming van de omgeving van monumenten met het oog op het behoud en de toekomst van dat monument. In de bijlage bij het artikel worden specifiek molens en hun molenbiotoop genoemd.
Ondanks deze bescherming verslechtert bij veel windmolens de molenbiotoop onder invloed van woningbouw, de komst van bedrijventerreinen of de groei en aanplant van (te hoge) bomen. Dit leidt tot verminderde mogelijkheden tot draaien en malen, soms zelfs tot schade aan de molen en risico's voor de omgeving en kan uiteindelijk bij sommige molens tot verval en stilstand leiden.
De Vereniging De Hollandsche Molen is een belangenbehartiger van molens en helpt, samen met de provinciale molenorganisaties, de moleneigenaren en molenaars met het beschermen van hun molenbiotoop.
Windturbines
Ook windtrubines hebben sinds 2010 een soort planologische windrechten'[3] omdat ze ooit een bouwvergunning hebben gekregen voor de windturbine. Bij een herstructurering vand windparken worden bestaande windturbines vervangen door grotere. Meestal komen er dan minder nieuwe turbines, die bovendien net op een andere plek worden gebouwd. De eigenaar moet dan een omgevingsvergunning voor de nieuwe plek aanvragen en krijgt dran een nieuw 'windrecht'. In veel gevallen worden windtrubines in de nabijheid van historische windmolens gebouwd. Dit is geen fraai gezicht. Nog niet bekend is, welke effecten de draaiende turbinewieken hebben op het functioneren (draaien en malen) van historische windmolens.
Literatuur
- Sybrandus Johannes Fockema Andreae, Recht van den wind en molendwang, in Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis, deel 1, afl. 4, 1919, blz. 431-442.
Zie ook
- ↑ museumvriezenveen.nl Wind- en waterrechten.
- ↑ Staatsblad der Vereenigde Nederlanden, 1814. Geraadpleegd op Delpher op 25-12-2020, Link via Delpher
- ↑ officielebekendmakingen.nl